samenvattingen.com

Zoeken

Voortgezet Onderwijs | Middelbaar Beroepsonderwijs | Hoger Beroepsonderwijs | Wetenschappelijk Onderwijs


Practische economie, VWO totaalvak - module 2 hoofdstuk 2 en module 3,

Hoofdstuk 2 Kosten, opbrengsten en winst

1 De productiefunctie

De productiefunctie geeft het verband weer tussen de gebruikte hoeveelheden productiemiddelen en de omvang van de productie. Het is een technische functie. Productiemiddelen = productiefactoren.

Productiefunctie: q=f(A,K)
Q = hoeveelheid producten
A = hoeveelheid arbeid
K = hoeveelheid kapitaal

Korte-termijnsituatie: situatie waarin een deel van de productiefactoren niet kan worden gevarieerd

Als kapitaalgoederenvoorraad K is gegeven, is er dus alleen een verband tussen de productie-omvang en de arbeiders:

Q = 5A (max. q=30)

Lange-termijnsituatie : situatie waarin alle productiefactoren kunnen worden gevarieerd.

2 Constante kosten en variabele kosten

Kosten zijn alle noodzakelijke offers wil een ondernemer goederen kunnen produceren. Er is sprake van constante kosten en variabele kosten.
Constante kosten: kosten die niet veranderen bij een verandering van productieomvang (huur van het pand, loon etc.)
Variabele kosten: kosten die veranderen bij een verandering van productieomvang (inkoopkosten dranken/maaltijden etc.)
Proportioneel variabele kosten: de kosten veranderen recht evenredig met de productieomvang
Totale kosten: de constante kosten en de variabele kosten samen
Break-evenpoint: geeft de productieomvang (afzet) weer waarbij er geen winst of verlies wordt geleden: onderneming speelt quitte.

TK (totale kosten), TO (totale om