samenvattingen.com

Zoeken

Voortgezet Onderwijs | Middelbaar Beroepsonderwijs | Hoger Beroepsonderwijs | Wetenschappelijk Onderwijs


Nederlanders en hun gezagdragers 1950-1990: verzuiling, polarisatie & herwonnen consensus,

Historisch kader

Nederland in 1900 zag er heel anders uit dan in 2000, al waren alle onderdelen van het nieuwe leven wel al aanwezig.

De situatie in 1900:
  • minder welvaart
  • kleinschaliger
  • verschillende rangen, standen en geloofsgroepen
  • vervoer door paard en wagen. Spoorlijn was er wel, maar was nog te duur.
  • toename fabrieken en fabrieksarbeiders
  • opkomst benzinemotoren
  • 1e supermarkt

§ 0.1

1848: breukjaar in de politieke geschiedenis van Nederland
In dit jaar werd er een grondwetwijziging doorgevoerd die de macht van de koning beperkte. Zijn rol werd vanaf toen voornamelijk symbolisch en ceremonieel. Ministers waren vanaf toen verantwoording verschuldigd aan de gekozen volksvertegenwoordiging. Wanneer zij faalden, konden ministers ontslagen worden.
Parlementaire democratie:
Het volk kiest democratisch een parlement die vervolgens het land bestuurt.
In het begin mochten alleen rijke burgers die veel belasting betaalden, stemmen. Door het districtstelsel was het voor nieuwe partijen bijna onmogelijk om in het parlement te komen, zodat het altijd dezelfde partij was die het voor het zeggen had. Bovendien had nog niet iedereen stemrecht, waardoor de meeste Nederlanders en hun ideeën en wensen politiek buitenspel stonden. We kunnen dus niet echt spreken van een democratie.
Districtstelsel:
Men kon pas vertegenwoordiger van een district worden als de meerderheid van stemmen in dat gebied gehaald was. Het waren altijd de partijen met de meeste invloed die wonnen. Kleine partijen zonder invloed verloren.
Na 1870 kwamen de liberalen, die het steeds voor het zeggen hadden gehad, onder druk te staan. Mensen werden beter geschoold, vakbonden kregen meer invloed en het aantal arbeiders groeide. Om hen tevreden te houden begon men te werken aan het algemeen mannenkiesrecht. Dit maakte dat de gewone man nu via allerlei verenigingen op zou kunnen komen voor zijn leef- en werksituatie. Protestanten, Katholieken en socialisten zagen mogelijkheden om een rol in de politiek te kunnen gaan spelen door de groeiende macht van hun achterban en eisten uitbreiding van het kiesrecht, wat in 1917 verkregen werd.
De opkomst van nieuwe partijen joeg de liberale burgerij angst aan omdat zij bang waren hun macht te verliezen.

1917:
  • invoering algemeen mannenkiesrecht
  • afschaffing districtenstelsel en invoering van het evenredig kiesstelsel
  • omvang groep zorgt nu voor plaats in parlement en niet bezit of scholing.
Liberalisme:
Politiek en economisch stelsel, ontstaan in de 18e eeuw, waarbij de vrijheid en de rechten van het individu voorop staan. Liberalen pleiten voor een terughoudende rol van de overheid. Voor liberalen is het kapitalisme het beste economische stelsel.
Evenredig kiesstelsel:
Dit is een kiesstelsel waarbij de stemmen landelijk worden verzameld. Alle stemmen gelden. Het is dus niet meer zo dat er per district een vertegenwoordiging wordt gekozen. Kleinere partijen maken nu ook een grote kans op een zetel, wat niet het geval was bij het districtenstelsel.

§ 0.2

Sinds de 16e eeuw was Nederland een land van kleine clubjes die allen hun eigen wensen en belan