samenvattingen.com

Zoeken

Voortgezet Onderwijs | Middelbaar Beroepsonderwijs | Hoger Beroepsonderwijs | Wetenschappelijk Onderwijs


Handboek leiderschap in arbeidsorganisaties, Vlist, Rene van der

H. 1 DE PERSOON VAN DE LEIDER

  1. Persoonlijkheidsfactoren trait-approach
  2. Leiderschapsgedrag contingentiebenadering
Recentelijk neemt belangstelling van de persoon toe door:
  • veranderingen in de omgeving van organisaties,
  • waardoor organisaties van karakter veranderen,
  • en verandering van leiderschap,
  • wat een beroep doet op bepaalde persoonskenmerken,
  • die wellicht niet aangeleerd kunnen worden!

1.2 trait-approach

Galton: erfelijke factoren
Nu: toegankelijkheid van de juiste relaties (zeker in standenmaatschappij)
Spiller: ‘greatness and littleness… is apparantly determines by a combination of individual, social and historical circumstances’.

Trait approach persoonlijke karakteristieken van leiders
Stogdill leiders kunnen gekenmerkt worden door:
  • zekere intelligentie: gezond verstand, verbaalvaardig, intellectuele ontwikkeling, alert en inzicht in situaties
  • prestatiemotivatie: activiteit, energie, initiatiefgedrag, volharding, prestatiewens, risicobereidheid
  • zelfvertrouwen
  • verantwoordelijkheidsgevoel betrouwbaarheid
  • sociabiliteit samenwerkingszin,populariteit, aanpassingsvermogen, humor, levendigheid
  • dominantie pro-actief, agressie
Leiderschap impliceert het nemen van initiatieven, actief zijn, zorgen dat het werk gedaan wordt. Maar dat doet de leider per definitie niet alleen, hij werkt daartoe samen met anderen. De leider dient over kenmerken te beschikken die een aanvulling betekent op de kenmerken van zijn volgelingen in relatie tot de situatie waarin de groep verkeert (matching van de leider en de situatie) Situatie is het geheel van kenmerken van de groep, de taak van de groep en de capaciteiten en motivaties van de individuele leden van de groep, en het karakter van hun onderlinge relaties. En als die matching niet goed totstandkomt, voegt de leider onvoldoende toe. Stogdill relativeert het belang van persoonskenmerken van leider zonder te ontkennen dat die variabelen wel degelijk een rol spelen.

1.3 Fiedlers theorie: persoon in Situatie

De situatie maakt het de leider meer of minder gemakkelijk zijn groepsleden te beïnvloeden, als
  1. leider-groepsrelaties: relatie met groepsleden positieve affectieve banden zijn
  2. taakstructuur: order from above
  3. positiemacht (dwang)
leider-groepsrelaties taakstructuur positiemacht LPC geeft beste resultaat
  1. gunstige condities: good structured strong good structured weak weinig waardering lpc good unstructured strong
  2. matig: good unstructured weak moderately poor structured strong enige waardering lpc moderately poor structured weak
  3. ongewenst: moderately poor unstructured strong moderately poor unstructured weak geen waardering lpc very poor structured strong De beste groepsprestaties bereikt leider die relatief weinig waardering kan opbrengen voor personen waarmee moeilijk samen te werken valt onder 1. (Least Preferred Co-worker) De relatie lpc-groepsprestaties zouden positief zijn in relatief ongunstige situaties (2) en negatief in gunstige (1) zowel als in zeer ongunstige situaties (3) Bij onderzoek is correlatiecoëfficiënt zelden significant doordat Fiedler de ‘situatie’ te eenvoudig heeft opgevat en de afhankelijke variatie niet duidelijk is. Zeker in natuurlijke situaties is heft noodzakelijk multiple criteria te hanteren: naast directe groepsprestaties bijv. ook arbeidssatisfactie, verzuim en eventueel verloop. Maar juist in natuurlijke situaties is het criterium voor managementprestaties allesbehalve helder doordat op organisatieniveau de doelen meestal niet duidelijk zijn en zeker niet enkelvoudig.

1.4 leiderschapsgedrag

‘Wat wordt er precies met succes bedoeld?’ moet vooraf gaan aan onderzoek.
Effecten van persoonskenmerken van leiders zijn onduidelijk. De rol van de leider in die populaire opvattingen zo wordt benadrukt omdat wij als mensen graag greep hebben op onze omgeving en in algemeen gebeurtenissen graag toeschrijven aan eenvoudige, overzichtelijke oorzaken. (Pfeffer)
Ohio Leadership Studies en Michigan groep: leader Behavior Description Questionnaire form XII
  1. initiating structure taakleiderschap of instrumenteel leiderschap
    definieert eigen rol en laat volgelingen weten wat verwacht wordt van hen
  2. consideration sociaal leiderschap of sociaal-emotioneel leiderschap
    ziet toe op comfort, welzijn en aandeel van medewerkers
    Sociaal leiderschap blijkt significant samen te hangen met tevredenheid van ondergeschikten met de organisatie als geheel en met groepscohesie en bindingskracht van de organisatie. Groepsprestaties blijken niet samen te hangen met een noch het ander.
  3. participatief leiderschap
    De mate waarin een leidinggevende zijn ondergeschikten toestaat war het gaat om de uitvoering van taken, maar ook bij het nemen van beslissingen. Dit heeft positieve effecten op de arbeidstevredenheid van werknemers en laat een positief effect zien om groepsprestaties.

1.5 leiderschap en groepsprestaties in de praktijk

In praktijksitua