samenvattingen.com

Zoeken

Voortgezet Onderwijs | Middelbaar Beroepsonderwijs | Hoger Beroepsonderwijs | Wetenschappelijk Onderwijs


Privaatrecht als opdracht, Dam , C.C. van ; Verhey, A.J.

2 beginselen verbintenissenrecht:
  • Gerechtvaardigd vertrouwen mag niet worden beschaamd.
  • Elk handelen moet zorgvuldig geschieden, waarbij gevaar moet worden vermeden en rekening moet worden gehouden met belangen van anderen.

H. 24 opschorting in de nakoming van een verbintenis

Voor opschorting in de nakoming van een verbintenis moet er:
  • Sprake zijn van een verbintenis tussen 2 partijen.
  • Sprake zijn van een niet-nakoming of een ondeugdelijke nakoming door de wederpartij > verbintenis moet opeisbaar zijn en de wederpartij kan niet zelf een beroep doen op een opschortingsrecht. Het is in beginsel niet nodig dat de niet-nakoming de wederpartij kan worden toegerekend.
  • Voldoende samenhang bestaan om deze opschorting te rechtvaardigen. In art. 6:52 lid 2 worden een aantal gevallen genoemd waarin voldoende samenhang in ieder geval kan worden aangenomen. Dit zijn situaties waarin:
  • Verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding, of
  • Verbintenissen voortvloeien uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.
Als aan de vereisten voor opschorting is voldaan heeft men het recht de eigen prestatie op te schorten als de wederpartij eerst moet presteren maar dat niet doet of als men gelijktijdig moet presteren maar bij de wederpartij een vertraging is ontstaan.

Opschorting kan ook worden ingeroepen tegen:
  • De rechtsopvolgers van de wederpartij aan wie deze zijn rechten overdraagt.
  • De schuldeisers van de wederpartij.
  • De curator in een eventueel faillissement van de wederpartij.
3 uitzonderingen op de alg. opschortingsbevoegdheid (art. 6:54 sub a t/m c):
  • Crediteursverzuim > een partij mag nakoming van een eigen verbintenis niet opschorten als hij zelf nakoming door de ander heeft verhinderd.
  • Blijvend onmogelijk > de opschortingsbevoegdheid vervalt als de nakoming van een verbintenis blijvend onmogelijk is.
  • Geen beslag > de opschortingsbevoegdheid vervalt als de verbintenis voor de wederpartij een vorderingsrecht inhoudt waarop geen beslag is toegelaten. Dit is in het geval van een deel van het loon van werknemers, bijstandsuitkering en alimentatieschuld > levensonderhoud.
Bovendien is er de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2).
Bij blijvende onmogelijkheid en geen beslag is het wel weer mogelijk om op te schorten als het gaat om niet-nakoming van tegenover elkaar staande verbintenissen uit een en dezelfde wederkerige overeenkomst, d.w.z. betaling van loon mag wel worden opgeschort als de werknemer de daar tegenoverstaande verbintenis om te werken niet nakomt, bijv. door staking.

Opschortingsrecht heeft 2 gevolgen:
  • De opschorter is geen schadevergoeding verontschuldigd.
  • In geval van een wederkerige overeenkomst kan de wederpartij geen ontbinding van de overeenkomst wegens tekortkoming vorderen (art. 6:265) > men komt eigen verb. niet na, maar dit wordt door de opschorting gedekt.

    brocoponder

    05 juni 2006 @ 17:15 uur

    Helder, overzichtelijk, materiegetrouw en dus bruikbaar geschreven stuk.

    Groeten uit Amsterdam.